Aandachtspunten ter versterking van volwasseneneducatie in Nederland

tekst: 

Klik hier om onderstaand stuk te downloaden als PDF-bestand.

De infrastructuur van volwasseneneducatie (ve) in Nederland is de afgelopen 10 tot 15 jaar veranderd van een vanuit overheidswege aangestuurd, professioneel werkveld naar een lokaal aangestuurde voorziening (ve) of geheel open markt (inburgering) met inzet van veel vrijwilligers. Nederland is vrijwel het enige land in Noordwest Europa waar dit het geval is. Volgens onderzoek heeft Nederland daarnaast jaarlijks een lager budget beschikbaar dan alle andere Noordwest Europese landen. Ook landen als Polen en Slovenië hebben jaarlijks per inwoner meer aan volwasseneneducatie te besteden. De beschikbare budgetten in Nederland zijn gekrompen en er wordt een groot beroep gedaan op de inzet van vrijwilligers als het gaat om de uitvoering van de volwasseneneducatie en het terugdringen van laaggeletterdheid. Het argument voor het laatste is dat er via de inzet van vrijwilligers meer laaggeletterden zullen worden bereikt en dat niet voor elke potentiële deelnemer aan de volwasseneneducatie professionele begeleiding nodig en betaalbaar is. Dit terwijl onderzoek aantoont dat de aanwezigheid van de docent noodzakelijk is voor een constructief leerproces. Bovendien blijkt in de praktijk dat vooral NT2-leerders, waaronder veel inburgeraars, gebruik maken van het gratis aanbod met vrijwilligers en dat in verhouding maar weinig autochtone moedertaalsprekers bereikt worden. Cijfers hierover zijn niet bekend.

Volwasseneneducatie is één van de middelen om maatschappelijke knelpunten zoals sociale uitsluiting, werkloosheid en schulden te voorkomen en ouderbetrokkenheid, communicatie met de overheid en zelfredzaamheid van burgers te bevorderen. In de huidige situatie lekt veel kennis weg door vertrekkende professionals en worden concessies gedaan aan de kwaliteit van het aanbod. De daarmee gepaard gaande maatschappelijke risico’s op korte en lange termijn zullen, zowel financieel als vanuit menselijk oogpunt, onwenselijk zijn.

Het moet mogelijk zijn met een aantal acties de volwasseneneducatie te versterken, met name door aandacht voor de infrastructuur van de volwasseneneducatie en de kwaliteit en effectiviteit van het aanbod. Ondergetekenden zijn van mening dat er een aantal aandachtspunten kan worden onderscheiden om de maatschappelijke functie van de volwasseneneducatie op de kaart te houden en in de toekomst te waarborgen.

  1. Ondersteuning van beleidsmakers en uitvoeringsorganisaties in het verkrijgen en onderhouden van kennis over de doelgroep en inhoud van de volwasseneneducatie en de basisvaardigheden die daarin aan bod komen. Een constante uitwisseling in de driehoek regievoering, kennisvergaring en uitvoering, op landelijk en regionaal niveau, kan hierin een belangrijke rol spelen.

  2. Het inzetten op de ontwikkeling en vaststelling van een eenduidig begrippenkader, waarbij de definiëring van doelgroepen en niveaus wordt vastgesteld die wel of niet tot de ve worden gerekend, zodat hierover helderheid en transparantie ontstaat. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vraag of inburgeraars wel of niet tot de volwasseneneducatie als werksoort worden gerekend, of je nu laaggeletterd bent als je 1F /A2 niet hebt bereikt of juist B1/2F. Als doelgroep verschilt de inburgeraar niet zo veel van de anderstalige die graag taalonderwijs wil volgen, ook al vallen trajecten voor inburgering en NT2 voor niet-burgeringsplichtigen onder verschillende wetgeving (WI en WEB) )en ministeries (SZW en OCW), zoals voor de beschrijvingen van inhoud en niveau van opleidingen er een ander wettelijk kader is voor moedertaalsprekers (Standaarden en eindtermen ve) en voor anderstaligen (Raamwerk NT2).

  3. Regie vanuit de overheid (nationaal en regionaal) op beleid, kwaliteit en toegankelijkheid van een educatieve basisstructuur op macroniveau. De regie zou gericht moeten zijn op een duurzaam beleid (‘2032’), waardoor regulier en extra budget en resultaten, opbrengsten en inzichten die verkregen worden door middel van onderzoek en monitoring van beleid en uitvoering niet elke paar jaar wegvallen bij wisseling van beleidslijn. Een aantal belangrijke aandachtspunten voor deze regie is:

-  Een van de eerste zorgpunten is het behoud van geoormerkte educatiegelden na 2018, opdat het budget niet opgebruikt zal worden voor andere prioriteiten binnen een gemeente (de spreekwoordelijke lantaarnpalen).

-  Tevens moet gewaakt worden voor een ingewikkelde, per regio verschillende en dure infrastructuur met (te) veel coördinatie, organisatie en bijbehorende kosten.

-  Onder deze regie valt ook preventief en curatief beleid dat goed op elkaar is aangesloten (van vve t/m ve) in combinatie met consultatiebureaus, vve, po, vo, ve. Dat wil zeggen: ketensamenwerking door de gehele levensloop heen.

-  Meer regie op een goed functionerende aansluiting van volwasseneneducatie en inburgering op Mbo, opdat deelnemers aan de ve en inburgeraars die een beroepsopleiding willen volgen met zo min mogelijk tijdverlies een beroepsopleiding kunnen volgen met extra taal- en rekenondersteuning.

Bij voorkeur komt er een educatief beleidsplan tot en met 2032, wordt er vanuit de overheid beter gestuurd en komt er meer budget.

  1. Meer regie vanuit de overheid op de handhaving van kwaliteit van de volwasseneneducatie door kaders te stellen voor de inzet van gekwalificeerde docenten en vrijwilligers. Voor welke rollen en taken kunnen vrijwilligers worden ingezet en welke rollen en taken zijn voorbehouden aan de gekwalificeerde professionele docent? Vrijwilligers worden nu vaak ingezet als alternatief voor professionele docenten en daarmee worden aan hen allerlei kwaliteitseisen gesteld waarvan redelijkerwijs niet verwacht mag worden dat zij daaraan kunnen voldoen. Er wordt ons inziens te veel in kwaliteitstermen gesproken over vrijwilligerswerk, terwijl de toegevoegde waarde van vrijwilligers juist zit in het laagdrempelige, de persoonlijke aandacht, praktijkgerichte (en dus flexibele) en vooral dat het voor beide partijen constructief is.

  2. De professionele docent blijft in educatie onmisbaar. We vragen aandacht voor:

    • Kwaliteitsstandaarden voor professionele docenten basisvaardigheden (NT1, NT2, rekenen en digitale vaardigheden) waaraan zij moeten voldoen met erkende kwalificering of certificering (er bestaat weliswaar een certificeringsmogelijkheid voor docenten NT2, maar dit is een privaat initiatief vanuit de Beroepsvereniging van docenten NT2).

    • Scholingsmogelijkheden van docenten basisvaardigheen (NT1, NT2, rekenen en digitale vaardigheden) op basis van een dergelijke kwaliteitsstandaard. Hiervoor is al een aanzet gegeven in het Raamwerk docent basisvaardigheden, dat in opdracht van het Steunpunt ve is ontwikkeld en dat bouwstenen beschrijft van kennis en vaardigheden die in een opleiding voor docenten basisvaardigheden aan bod zouden moeten komen.

    • Vooral het geduld met en het respect voor de doelgroep is een belangrijk kenmerk van de kwalitatief goede begeleider (docent zowel als vrijwilliger). In het Raamwerk is deze omschreven als een belangrijke andragogische competentie van docenten.

  3. Geschikt maken van de Standaarden en Eindtermen aan de onderkant voor het streven naar en meten van kleinere stappen voortgang in het formeel en non-formeel onderwijs dat van overheidswege wordt bekostigd. Het huidige niveau Instroom is nu alleen beschreven als standaard - er zijn geen eindtermen geformuleerd omdat Instroom geen opleiding is (dat zijn alleen de opleidingen op 1F en 2F) en alleen gezien wordt als een soort tussenniveau dat handig is voor de inrichting van het onderwijs. Daarmee wordt de stap van kwetsbare deelnemers van een niveau onder Instroom naar het bereiken van het niveau Instroom dus niet erkend als een belangrijke niveaustap, juist voor de veelal extra kwetsbare doelgroep waarvoor het erkennen van kleinere voortgangsstappen zo belangrijk is.

  1. De mogelijkheid van certificering op deelvaardigheden. Dat zou voor het formele onderwijs voor een groot deel van de doelgroep (en aanbieders) soelaas bieden en stimulerend kunnen werken. Momenteel kan alleen gediplomeerd worden (of gecertificeerd als het niet om een formeel diplomatraject gaat) op het niveau van een vaardigheid (taal of rekenen) en niet op het niveau van een deelvaardigheid (bijvoorbeeld spreken, lezen of schrijven als het gaat om NT1).

  2. Keurmerk voor vrijwilligersorganisaties dat daadwerkelijk de effectiviteit van de vrijwilligersorganisaties borgt, mede in het licht van de rollen, taken en competenties die vrijwilligers in verschillende educatiesoorten kunnen hebben. Vrijwilligersorganisaties moeten op de juiste manier worden ingezet en hun karakter en toegevoegde waarde als vrijwilligersclubs behouden. Ze zijn geen professionele taalaanbieders en moeten ook niet op die manier gezien worden en verantwoording afleggen. Uiteraard moeten ze wel toegerust worden om wat ze doen zo goed mogelijk te doen.

  3. Aandacht voor de acceptatie van het feit dat er in de maatschappij onder laagopgeleide volwassenen een groep deelnemers bestaat voor wie het maatschappelijk gewenste niveau geen haalbare kaart is. Dit voorkomt dat eenzijdig wordt gefocust op het sleutelen aan de vaardigheden van de doelgroep zelf zonder dat aan overheden, bedrijven en maatschappelijke instellingen wordt gevraagd rekening met deze doelgroep te houden. Deze kwetsbare groep is geen deficiet van de maatschappij, maar moet de mogelijkheden krijgen in de maatschappij volwaardig te participeren. Dat betekent dat de overheden, bedrijven, instellingen e.d. moeten leren rekening te houden met mensen die niet goed (genoeg) kunnen lezen, schrijven of rekenen en dat deze mensen gemakkelijker uit durven komen voor hun minder ontwikkelde basisvaardigheden. Dit lijkt ons een taak voor de overheid, te beginnen bij de overheidscommunicatie zelf die rekening houdt met de doelgroep.

  4. Focus, als het om resultaat en opbrengst van educatietrajecten gaat, niet alleen op taal en rekenen, maar op de impact van trajecten op sociale inclusie. Taal en rekenen en welke andere basisvaardigheid dan ook zijn middelen waarmee sociale inclusie bevorderd wordt, geen doel op zich. Dat betekent dat het resultaat van educatie niet alleen zit in het bereiken van aantoonbare niveaustappen die mensen moeten maken maar vooral in het feit of ze daardoor beter participeren in de maatschappij, in het onderwijs en op de arbeidsmarkt en een groter welbevinden ervaren in het persoonlijk en maatschappelijk leven.

  5. Erken digitale vaardigheden als een eigenstandige vaardigheid binnen de opleidingen volwasseneneducatie en neem ze op in het opleidingsstelsel. De toenemende digitalisering van de maatschappij en het introduceren van de digitale overheid in 2017 maken dat het niet bezitten van voldoende digitale competenties een extra risico op sociale en maatschappelijke uitsluiting vormt.

  6. Onderzoek naar grotere inzet op het vinden van NT1-leerders en de motieven en triggers die hen kunnen verleiden en enthousiasmeren een traject te volgen en geef gemeenten en arbeidsmarktregio’s meer mogelijkheden hiervoor educatiemiddelen in te zetten.

  7. Ontwikkeling van infrastructuur waarmee deelnemers duurzaam kunnen inzetten op taalvaardigheid, rekenvaardigheid en digitale vaardigheid, zodat zij ook na de ‘cursus’ hun eigen geletterdheid, gecijferdheid en digitale competenties kunnen bijhouden en ontwikkelen in hun dagelijkse bestaan. Huidige praktijk is over het algemeen tijdelijke vaardigheidsontwikkeling, die weer inzakt zodra mensen alweer een tijd geen ondersteuning meer hebben gehad. In dat kader is het verstandig om in het aanbod verbinding te leggen tussen taal en sociale domeinen:

-  Werken (Werkgevers),
-  Gezondheid (GGD’s, ziekenhuizen, huisarts, consultatiebureaus e.d.),
-  Opvoeding (scholen, bibliotheken, jeugdzorg, consultatiebureaus e.d.),
-  Financiën / administratie (Belastingdienst, schuldhulpverlening),
-  Ouderbetrokkenheid (vve, po, vo, vmbo, mbo enz),
-  Opleiding (Regulier onderwijs op alle niveaus, bedrijfsopleiders, leerwerkloketten e.d.),
-  Werk zoeken (UWV, uitzendbureaus, e.d.)

Deze aandachtspunten zijn opgesteld op basis van gezamenlijk denkwerk en input van de volgende betrokkenen bij de volwasseneneducatie:

Wil van Dijk voorzitter Stichting ABC
Monique Deenik
directeur TopTaal
Sylvia de Groot Heupner
directeur Het Begint met Taal
Simon Verhallen
Beroepsvereniging van Docenten NT2 (BVNT2) Ina den Hollander senior consultant CINOP
Maurice de Greef
gastprofessor aan de Vrije Universiteit Brussel Elwine Halewijn senior adviseur ITTA

1 oktober 2016
categorie: 
23
categorie2: 
150
categorie3: 
0
contactformulier algemeen: 
uit
chatkamers: 
uit
lees meer tekst: 
aan
contactformulier voorzitter: 
uit
contactformulier secretaris: 
uit
contactformulier webmaster: 
uit
Aandachtspunten ter versterking van volwasseneneducatie in Nederland

Klik hier om onderstaand stuk te downloaden als PDF-bestand.

De infrastructuur van volwasseneneducatie (ve) in Nederland is de afgelopen 10 tot 15 jaar veranderd van een vanuit overheidswege aangestuurd, professioneel werkveld naar een lokaal aangestuurde voorziening (ve) of geheel open markt (inburgering) met inzet van veel vrijwilligers. Nederland is vrijwel het enige land in Noordwest Europa waar dit het geval is. Volgens onderzoek heeft Nederland daarnaast jaarlijks een lager budget beschikbaar dan alle andere Noordwest Europese landen. Ook landen als Polen en Slovenië hebben jaarlijks per inwoner meer aan volwasseneneducatie te besteden. De beschikbare budgetten in Nederland zijn gekrompen en er wordt een groot beroep gedaan op de inzet van vrijwilligers als het gaat om de uitvoering van de volwasseneneducatie en het terugdringen van laaggeletterdheid. Het argument voor het laatste is dat er via de inzet van vrijwilligers meer laaggeletterden zullen worden bereikt en dat niet voor elke potentiële deelnemer aan de volwasseneneducatie professionele begeleiding nodig en betaalbaar is. Dit terwijl onderzoek aantoont dat de aanwezigheid van de docent noodzakelijk is voor een constructief leerproces. Bovendien blijkt in de praktijk dat vooral NT2-leerders, waaronder veel inburgeraars, gebruik maken van het gratis aanbod met vrijwilligers en dat in verhouding maar weinig autochtone moedertaalsprekers bereikt worden. Cijfers hierover zijn niet bekend.

Volwasseneneducatie is één van de middelen om maatschappelijke knelpunten zoals sociale uitsluiting, werkloosheid en schulden te voorkomen en ouderbetrokkenheid, communicatie met de overheid en zelfredzaamheid van burgers te bevorderen. In de huidige situatie lekt veel kennis weg door vertrekkende professionals en worden concessies gedaan aan de kwaliteit van het aanbod. De daarmee gepaard gaande maatschappelijke risico’s op korte en lange termijn zullen, zowel financieel als vanuit menselijk oogpunt, onwenselijk zijn.

Het moet mogelijk zijn met een aantal acties de volwasseneneducatie te versterken, met name door aandacht voor de infrastructuur van de volwasseneneducatie en de kwaliteit en effectiviteit van het aanbod. Ondergetekenden zijn van mening dat er een aantal aandachtspunten kan worden onderscheiden om de maatschappelijke functie van de volwasseneneducatie op de kaart te houden en in de toekomst te waarborgen.

  1. Ondersteuning van beleidsmakers en uitvoeringsorganisaties in het verkrijgen en onderhouden van kennis over de doelgroep en inhoud van de volwasseneneducatie en de basisvaardigheden die daarin aan bod komen. Een constante uitwisseling in de driehoek regievoering, kennisvergaring en uitvoering, op landelijk en regionaal niveau, kan hierin een belangrijke rol spelen.

  2. Het inzetten op de ontwikkeling en vaststelling van een eenduidig begrippenkader, waarbij de definiëring van doelgroepen en niveaus wordt vastgesteld die wel of niet tot de ve worden gerekend, zodat hierover helderheid en transparantie ontstaat. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vraag of inburgeraars wel of niet tot de volwasseneneducatie als werksoort worden gerekend, of je nu laaggeletterd bent als je 1F /A2 niet hebt bereikt of juist B1/2F. Als doelgroep verschilt de inburgeraar niet zo veel van de anderstalige die graag taalonderwijs wil volgen, ook al vallen trajecten voor inburgering en NT2 voor niet-burgeringsplichtigen onder verschillende wetgeving (WI en WEB) )en ministeries (SZW en OCW), zoals voor de beschrijvingen van inhoud en niveau van opleidingen er een ander wettelijk kader is voor moedertaalsprekers (Standaarden en eindtermen ve) en voor anderstaligen (Raamwerk NT2).

  3. Regie vanuit de overheid (nationaal en regionaal) op beleid, kwaliteit en toegankelijkheid van een educatieve basisstructuur op macroniveau. De regie zou gericht moeten zijn op een duurzaam beleid (‘2032’), waardoor regulier en extra budget en resultaten, opbrengsten en inzichten die verkregen worden door middel van onderzoek en monitoring van beleid en uitvoering niet elke paar jaar wegvallen bij wisseling van beleidslijn. Een aantal belangrijke aandachtspunten voor deze regie is:

-  Een van de eerste zorgpunten is het behoud van geoormerkte educatiegelden na 2018, opdat het budget niet opgebruikt zal worden voor andere prioriteiten binnen een gemeente (de spreekwoordelijke lantaarnpalen).

-  Tevens moet gewaakt worden voor een ingewikkelde, per regio verschillende en dure infrastructuur met (te) veel coördinatie, organisatie en bijbehorende kosten.

-  Onder deze regie valt ook preventief en curatief beleid dat goed op elkaar is aangesloten (van vve t/m ve) in combinatie met consultatiebureaus, vve, po, vo, ve. Dat wil zeggen: ketensamenwerking door de gehele levensloop heen.

-  Meer regie op een goed functionerende aansluiting van volwasseneneducatie en inburgering op Mbo, opdat deelnemers aan de ve en inburgeraars die een beroepsopleiding willen volgen met zo min mogelijk tijdverlies een beroepsopleiding kunnen volgen met extra taal- en rekenondersteuning.

Bij voorkeur komt er een educatief beleidsplan tot en met 2032, wordt er vanuit de overheid beter gestuurd en komt er meer budget.

  1. Meer regie vanuit de overheid op de handhaving van kwaliteit van de volwasseneneducatie door kaders te stellen voor de inzet van gekwalificeerde docenten en vrijwilligers. Voor welke rollen en taken kunnen vrijwilligers worden ingezet en welke rollen en taken zijn voorbehouden aan de gekwalificeerde professionele docent? Vrijwilligers worden nu vaak ingezet als alternatief voor professionele docenten en daarmee worden aan hen allerlei kwaliteitseisen gesteld waarvan redelijkerwijs niet verwacht mag worden dat zij daaraan kunnen voldoen. Er wordt ons inziens te veel in kwaliteitstermen gesproken over vrijwilligerswerk, terwijl de toegevoegde waarde van vrijwilligers juist zit in het laagdrempelige, de persoonlijke aandacht, praktijkgerichte (en dus flexibele) en vooral dat het voor beide partijen constructief is.

  2. De professionele docent blijft in educatie onmisbaar. We vragen aandacht voor:

    • Kwaliteitsstandaarden voor professionele docenten basisvaardigheden (NT1, NT2, rekenen en digitale vaardigheden) waaraan zij moeten voldoen met erkende kwalificering of certificering (er bestaat weliswaar een certificeringsmogelijkheid voor docenten NT2, maar dit is een privaat initiatief vanuit de Beroepsvereniging van docenten NT2).

    • Scholingsmogelijkheden van docenten basisvaardigheen (NT1, NT2, rekenen en digitale vaardigheden) op basis van een dergelijke kwaliteitsstandaard. Hiervoor is al een aanzet gegeven in het Raamwerk docent basisvaardigheden, dat in opdracht van het Steunpunt ve is ontwikkeld en dat bouwstenen beschrijft van kennis en vaardigheden die in een opleiding voor docenten basisvaardigheden aan bod zouden moeten komen.

    • Vooral het geduld met en het respect voor de doelgroep is een belangrijk kenmerk van de kwalitatief goede begeleider (docent zowel als vrijwilliger). In het Raamwerk is deze omschreven als een belangrijke andragogische competentie van docenten.

  3. Geschikt maken van de Standaarden en Eindtermen aan de onderkant voor het streven naar en meten van kleinere stappen voortgang in het formeel en non-formeel onderwijs dat van overheidswege wordt bekostigd. Het huidige niveau Instroom is nu alleen beschreven als standaard - er zijn geen eindtermen geformuleerd omdat Instroom geen opleiding is (dat zijn alleen de opleidingen op 1F en 2F) en alleen gezien wordt als een soort tussenniveau dat handig is voor de inrichting van het onderwijs. Daarmee wordt de stap van kwetsbare deelnemers van een niveau onder Instroom naar het bereiken van het niveau Instroom dus niet erkend als een belangrijke niveaustap, juist voor de veelal extra kwetsbare doelgroep waarvoor het erkennen van kleinere voortgangsstappen zo belangrijk is.

  1. De mogelijkheid van certificering op deelvaardigheden. Dat zou voor het formele onderwijs voor een groot deel van de doelgroep (en aanbieders) soelaas bieden en stimulerend kunnen werken. Momenteel kan alleen gediplomeerd worden (of gecertificeerd als het niet om een formeel diplomatraject gaat) op het niveau van een vaardigheid (taal of rekenen) en niet op het niveau van een deelvaardigheid (bijvoorbeeld spreken, lezen of schrijven als het gaat om NT1).

  2. Keurmerk voor vrijwilligersorganisaties dat daadwerkelijk de effectiviteit van de vrijwilligersorganisaties borgt, mede in het licht van de rollen, taken en competenties die vrijwilligers in verschillende educatiesoorten kunnen hebben. Vrijwilligersorganisaties moeten op de juiste manier worden ingezet en hun karakter en toegevoegde waarde als vrijwilligersclubs behouden. Ze zijn geen professionele taalaanbieders en moeten ook niet op die manier gezien worden en verantwoording afleggen. Uiteraard moeten ze wel toegerust worden om wat ze doen zo goed mogelijk te doen.

  3. Aandacht voor de acceptatie van het feit dat er in de maatschappij onder laagopgeleide volwassenen een groep deelnemers bestaat voor wie het maatschappelijk gewenste niveau geen haalbare kaart is. Dit voorkomt dat eenzijdig wordt gefocust op het sleutelen aan de vaardigheden van de doelgroep zelf zonder dat aan overheden, bedrijven en maatschappelijke instellingen wordt gevraagd rekening met deze doelgroep te houden. Deze kwetsbare groep is geen deficiet van de maatschappij, maar moet de mogelijkheden krijgen in de maatschappij volwaardig te participeren. Dat betekent dat de overheden, bedrijven, instellingen e.d. moeten leren rekening te houden met mensen die niet goed (genoeg) kunnen lezen, schrijven of rekenen en dat deze mensen gemakkelijker uit durven komen voor hun minder ontwikkelde basisvaardigheden. Dit lijkt ons een taak voor de overheid, te beginnen bij de overheidscommunicatie zelf die rekening houdt met de doelgroep.

  4. Focus, als het om resultaat en opbrengst van educatietrajecten gaat, niet alleen op taal en rekenen, maar op de impact van trajecten op sociale inclusie. Taal en rekenen en welke andere basisvaardigheid dan ook zijn middelen waarmee sociale inclusie bevorderd wordt, geen doel op zich. Dat betekent dat het resultaat van educatie niet alleen zit in het bereiken van aantoonbare niveaustappen die mensen moeten maken maar vooral in het feit of ze daardoor beter participeren in de maatschappij, in het onderwijs en op de arbeidsmarkt en een groter welbevinden ervaren in het persoonlijk en maatschappelijk leven.

  5. Erken digitale vaardigheden als een eigenstandige vaardigheid binnen de opleidingen volwasseneneducatie en neem ze op in het opleidingsstelsel. De toenemende digitalisering van de maatschappij en het introduceren van de digitale overheid in 2017 maken dat het niet bezitten van voldoende digitale competenties een extra risico op sociale en maatschappelijke uitsluiting vormt.

  6. Onderzoek naar grotere inzet op het vinden van NT1-leerders en de motieven en triggers die hen kunnen verleiden en enthousiasmeren een traject te volgen en geef gemeenten en arbeidsmarktregio’s meer mogelijkheden hiervoor educatiemiddelen in te zetten.

  7. Ontwikkeling van infrastructuur waarmee deelnemers duurzaam kunnen inzetten op taalvaardigheid, rekenvaardigheid en digitale vaardigheid, zodat zij ook na de ‘cursus’ hun eigen geletterdheid, gecijferdheid en digitale competenties kunnen bijhouden en ontwikkelen in hun dagelijkse bestaan. Huidige praktijk is over het algemeen tijdelijke vaardigheidsontwikkeling, die weer inzakt zodra mensen alweer een tijd geen ondersteuning meer hebben gehad. In dat kader is het verstandig om in het aanbod verbinding te leggen tussen taal en sociale domeinen:

-  Werken (Werkgevers),
-  Gezondheid (GGD’s, ziekenhuizen, huisarts, consultatiebureaus e.d.),
-  Opvoeding (scholen, bibliotheken, jeugdzorg, consultatiebureaus e.d.),
-  Financiën / administratie (Belastingdienst, schuldhulpverlening),
-  Ouderbetrokkenheid (vve, po, vo, vmbo, mbo enz),
-  Opleiding (Regulier onderwijs op alle niveaus, bedrijfsopleiders, leerwerkloketten e.d.),
-  Werk zoeken (UWV, uitzendbureaus, e.d.)

Deze aandachtspunten zijn opgesteld op basis van gezamenlijk denkwerk en input van de volgende betrokkenen bij de volwasseneneducatie:

Wil van Dijk voorzitter Stichting ABC
Monique Deenik
directeur TopTaal
Sylvia de Groot Heupner
directeur Het Begint met Taal
Simon Verhallen
Beroepsvereniging van Docenten NT2 (BVNT2) Ina den Hollander senior consultant CINOP
Maurice de Greef
gastprofessor aan de Vrije Universiteit Brussel Elwine Halewijn senior adviseur ITTA

1 oktober 2016